gevaar den kamp om de vrijheid van Gallië te beginnen. Vooral moest men, zoo zeiden zij, er op bedacht zijn. Caesar van zijn leger af te snijden, eer hun geheime plannen bekend werden. Dat was niet moeilijk, daar de legioenen bij de afwezigheid des veldheers 't niet waagden de winterkwartieren te verlaten, en de opperbevelhebber zonder bedekking zijn legioenen niet kon bereiken. Ten slotte was het beter, met de wapens in de hand te vallen, dan den ouden oorlogsroem en de van de vaderen geërfde vrijheid niet terug te krijgen.
2. Eindelijk, na levendige besprekingen, verklaarden de Carnuten zich bereid, ter wille van het algemeen welzijn, zich aan elk gevaar bloot te stellen, en beloofden het eerst van allen den krijg te beginnen. En omdat zij elkander voor het oogenblik door het stellen van gijzelaars geen zekerheid konden geven, daar de zaak anders al licht ruchtbaar zou worden, zoo verzochten zij, dat men hun door een heiligen eed, en wel bij de vereenigde vanen — den indrukwekkendsten vorm van den eed bij hen in gebruik — borg zou blijven, dat zij niet, als zij een begin met den oorlog hadden gemaakt, in den steek werden gelaten. Allen prezen de Carnuten; alle aanwezigen legden den eed af, en de vergadering ging uiteen, na het tijdstip voor het uitbarsten van den opstand te hebben vastgesteld.
3. Toen die dag was aangebroken, stormden de Carnuten onder de leiding van twee vertwijfelde menschen. Cotuatus en Conconnetodumnus, op een gegeven teeken naar Cenabum (Orleans) en vermoordden de Romeinsche burgers, die zich daar als kooplieden hadden gevestigd, onder anderen ook een achtbaar Romeinsch ridder, Gajus Fufius Cita, wien Caesar het toezicht op de proviand had opgedragen, en plunderden hun goederen. Snel verbreidde zich het gerucht hiervan naar alle staten van Gallië. Want