Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/197

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

wat zij den legaten vermeldden, dan of trouweloosheid de ware oorzaak was van hun terugkeer, schijnt, bij volslagen gebrek aan een vaststaand bewijs, niet als zeker vast te stellen. Na den aftocht der Haeduërs vereenigden de Biturigers zich terstond met de Arverners.

6. Toen Caesar in Italie bericht van dit alles ontving en hij te gelijk zag, dat de toestanden in Rome door het krachtige optreden van Cnaejus Pompejus wat waren verbeterd, vertrok hij naar Transalpijnsch Gallië. Daar gekomen, bevond hij zich in groote moeilijkheid, hoe hij zijn leger zou bereiken. Want ontbood hij de legioenen naar de provincie, dan moesten zij, zooals hij wel begreep, op den marsch en zonder zijn leiding slag leveren; brak hijzelf op naar het leger, zoo stelde hij zich aan persoonlijk gevaar bloot, want hij kon, naar zijn inzicht, in dezen tijd zelfs niet die volken vertrouwen, die, naar het scheen, rustig waren.

7. Ondertusschen won de Cadurker Lucterius, die naar de Rutenen gezonden was, dezen staat voor de Arverners. Verder voortgerukt naar het gebied der Nitiobrogen en Gabalers ontving hij van beide volken gijzelaars en, na een groote strijdmacht verzameld te hebben, rukte hij haastig op, om in de provincie in de richting van Narbo een inval te doen. Op de ontvangst van deze tijding meende. Caesar vóór alle andere dingen, zich naar Narbo te moeten begeven. Daar gekomen, bemoedigde hij de vreesachtigen, bezette in het gebied der tot de provincie behoorende Rutenen, der Arekomische Volkers, der Tolosaten en in de streek om Narbo de vaste punten, welke het dichtst bij den vijand lagen, en beval een deel der troepen uit de provincie en de versterkingen, die hij uit Italië had medegebracht, zich in het land der Helviërs, op de grenzen der Arverners, te verzamelen.