8. Door deze maatregelen was Lucterius reeds opgehouden en teruggedrongen, want hij vond het gevaarlijk tusschen onze posten de provincie binnen te dringen. Caesar begaf zich derhalve naar het Helvische gebied. Ofschoon het gebergte der Cevennen, dat de Arverners en Helviërs scheidt, in het strengste jaargetijde, terwijl de sneeuw zeer hoog lag, den marsch belemmerde, kwam hij toch, door de zes voet hoog liggende sneeuw weg te ruimen en zich zoo de wegen te openen, onder de grootste inspanning zijner soldaten in het land der Arverners. Nadat dezen, omdat zij zich achter de Cevennen als achter een muur veilig waanden, en in dien tijd van het jaar nooit, zelfs niet voor een enkel mensch, de voetpaden open waren, tegen verwachting waren verrast, beval Caesar zijn ruiterij, haar strooptochten zoo ver mogelijk uit te strekken en den vijand den grootsten schrik aan te jagen. Door gerucht en boden ontving Vercingetorix hiervan snel bericht. Alle Arverners drongen ontsteld om hem heen en bezwoeren hem, toch zorg te dragen voor hun have en goed, en hen door den vijand niet te laten uitplunderen, te meer, daar, zooals hij zag, de geheele oorlog naar hun land was overgebracht. Door hun smeekingen bewogen, brak hij op uit het gebied der Biturigers in de richting van het land der Arverners.
9. Maar Caesar hield zich hier slechts twee dagen op, omdat hij van te voren had vermoed, dat de zaak van Vercingetorix zulk een wending zou nemen, en verliet het leger onder het voorwendsel, aanvullingstroepèn en ruiterij bijeen te willen brengen. Het commando over de troepen droeg hij op aan den jongen Brutus, wien hij order gaf, de ruiters naar alle richtingen zoo ver mogelijk strooptochten te laten doen; hijzelf zou, zoo mogelijk, in drie dagen weer bij het leger terug zijn. Na dit te hebben geregeld,