Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/200

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

boden zijn aankomst vooraf melden en hen opwekken, trouw te blijven en den aanval der vijanden dapper te weerstaan. Met achterlating van twee legioenen en den trein van het geheele leger te Agedincum (Sens), brak hij tot bijstand der Bojers op.

11. Op den tweeden dag bij de stad der Senonen, Vellaunodunum[1] gekomen, begon hij, om geen vijand in den rug te laten en den toevoer van levensmiddelen te verlichten, deze veste te belegeren en sloot haar in twee dagen in. Op den derden dag kwamen afgevaardigden uit de stad de onderwerping aanbieden. Caesar beval de wapenen en paarden uit te leveren, alsmede zeshonderd gijzelaars te stellen; hij liet den legaat Gajus Trebonius achter, om zijne bevelen ten uitvoer te brengen. Zelf brak hij op, ten einde zijn marsch te bespoedigen, tegen de stad Cenabum in het land der Carnuten, die toen eerst het bericht hadden ontvangen van het beleg van Vellaunodunum en, daar zij meenden, dat dat beleg nog al lang zou duren, bezig waren de bezetting te vormen, die Cenabum moest verdedigen. In twee marschen kwam Caesar hier aan. Na de legerplaats voor de stad te hebben opgeslagen, verschoof hij, wijl het reeds te laat op den dag was, den aanval tot den volgenden dag, maar gaf den soldaten bevel, de noodige voorbereidingen te maken. Uit vrees, dat de bewoners 's nachts uit de stad zouden vluchten, omdat onmiddellijk uit de stad een brug over de Liger voerde, liet hij twee legioenen onder de wapenen bivouakeeren. Kort voor middernacht verlieten de Cenabensers werkelijk in alle stilte de stad en begonnen de rivier over te gaan. Caesar ontving door zijn verspieders terstond bericht hiervan; hij liet dadelijk de legioenen, welke hij onder de wapens had

  1. Waarsch. het tegenw. stadje Ladon, tusschen Sens en Orleans.