Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/202

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Den aanval van deze Germanen konden de Galliërs niet doorstaan; zij werden op de vlucht geworpen en trokken met een aanzienlijk verlies op het hoofdleger terug. Toen deze troepen waren verslagen, kreeg de vrees bij de Novioduners weer de overhand; zij grepen degenen, door wier bedrijf zij meenden, dat het volk was opgeruid, brachten hen voor Caesar en gaven zich aan hem over. Hierop marcheerde Caesar naar Avaricum (Bourges), de grootste en sterkst bevestigde stad in de vruchtbaarste streek van het gebied der Biturigers; want hij vertrouwde, als hij die stad had veroverd, den staat der Biturigers in zijn macht te zullen krijgen.

14. Na zoovele op elkaar volgende ongevallen te Vellaunodunum, Cenabum en Noviodunum, riep Vercingetorix een krijgsraad bijeen. Hij zette uiteen, dat men thans den oorlog op gansch andere wijze moest voeren, dan tot dusver. Op alle manieren moest men er zich op toeleggen, den Romeinen het fourageeren te belemmeren en hun den toevoer af te snijden. Dit was gemakkelijk, omdat de Galliërs overvloed hadden van ruiters en het jaargetijde hun gunstig was. Het voeder kon nog niet worden gemaaid; de vijand moest zich in afdeelingen verstrooien, om het uit de hoeven te halen, en die afdeelingen konden dag voor dag door de ruiterij worden vernietigd. Bovendien moesten de bijzondere belangen aan het algemeen welzijn worden opgeofferd; dorpen en huizen in de gansche streek, overal heen, zoover de Romeinen hun fourageeringstochten konden uitstrekken, verbrand worden. De Galliërs zelf hadden toereikenden voorraad van al deze dingen, daar hun overal de hulpbronnen en voorraad van den staat, in welks gebied telkens de oorlog werd gevoerd, ten dienste stonden. De Romeinen zouden 't òf bij het gebrek aan levensmiddelen niet kunnen uithouden, of zich met groot gevaar altijd verder