Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/204

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

toereikende bezetting voor de plaats werd uitgekozen.

16. Vercingetorix volgde Caesar in kleinere dagmarschen ор den voet en koos zich als legerplaats een door moerassen en bosschen beveiligd oord, zestien mijlen van Avaricum. Hier ontving hij van uur tot uur door een geregelden patrouilledienst bericht van alles, wat voor Avaricum gebeurde, en gaf dienovereenkomstig zijn bevelen. Hij loerde op al onze fourageertochten, viel de afzonderlijke afdeelingen aan, wanneer zij zich, door den nood gedrongen, wat verder van de legerplaats verwijderden en deed ons veel schade, ofschoon wij onzerzijds, voorzoover zich dat vooraf liet berekenen, daartegen alle mogelijke maatregelen namen, terwijl wij op onbepaalde tijden en langs verschillende wegen uitrukten.

17. Caesar had zijn legerplaats aan die zijde van de stad opgeslagen, waar zij, niet omgeven door de rivier en de moerassen, zooals gezegd, een nauwen toegang had. Hier trof hij aanstalten om een belegeringsdam op te werpen, schutdaken voor de stad te brengen en twee torens op te richten. Want een volkomen insluiting met wal en gracht was door de natuurlijke ligging der plaats niet mogelijk. Hij liet niet af, de Bojers en Haeduers aan te manen, koorn en proviand aan te voeren; maar de laatsten bewezen geen bijzondere diensten, omdat zij zonder eenigen lust handelden, de eersten, — een kleine onbeteekenende stam, ― hadden spoedig den voorraad, welken zij hadden, zelf opgeteerd. Daar nu de Bojers arm, de Haeduers nalatig waren, en daar de hoeven in vlammen waren opgegaan, had ons leger met de grootste moeilijkheden in zake de verpleging te worstelen, in dien graad zelfs, dat de soldaten verscheiden dagen geen brood hadden en met het vleesch van het vee, dat uit verwijderde dorpen naar de legerplaats werd gedreven, slechts gebrekkig hun honger stilden. Niettemin ontviel