Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/207

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

keerd, werd hij van verraad beschuldigd, omdat hij dichter bij het Romeinsche legerkamp was voortgerukt, met de gansche ruiterij zich verwijderd en een zoo talrijk leger zonder aanvoering gelaten had, en de Romeinen na zijn weggaan zoo te gelegener tijd en zoo snel waren aangerukt. Dit alles kon niet toevallig, of zonder een plan geschied zijn; hij wilde zeker het koningschap van Gallië liever door Caesars genade, dan door de gunst van zijn landgenooten winnen. Op deze beschuldigingen antwoordde Vercingetorix: Uit gebrek aan voeder was hij opgebroken; zijzelf hadden daartoe aangeraden; de stelling in de nabijheid der Romeinen had hij wegens de voordeelige gesteldheid der plaats uitgekozen, die zich alleen reeds door hare natuurlijke sterkte liet verdedigen. Van de ruiterij moest men in deze moerassige streek geen diensten verwachten; die was juist daar van nut geweest, waarheen hij ze gevoerd had. Het opperbevel had hij bij zijn weggaan met opzet aan niemand overgedragen, opdat deze tijdelijke opperbevelhebber zich niet door den strijdlust der troepen tot het leveren van een slag liet verleiden. Want daarop, zooals hij wel zag, drongen zij allen aan, en wel alleen uit weekelijkheid, omdat zij de ongemakken van den krijg niet langer konden uithouden. Waren de Romeinen toevallig gekomen, zoo moest men het geluk, waren zij ten gevolge van een geheime mededeeling verschenen, den verrader dank weten. Want daardoor had men van de hooger gelegen stelling het geringe getal der vijanden kunnen waarnemen en met verachting op hun dapperheid neerzien; immers smadelijk hadden de Romeinen zich, zonder den kamp aan te durven, in hun legerplaats teruggetrokken. Hij verlangde niet van Caesar door verraad het hoogste gezag, dat hij zich door de overwinning verschaffen kon, die hem en allen Galliërs reeds verzekerd was. Ja, hij gaf hun dat hoogste