toe te vertrouwen; want men begreep wel, dat in handen van dezen, indien zij die stad behielden, de gansche overwinning lag.
22. De buitengewone bekwaamheid onzer soldaten had met alle mogelijke tegenplannen der Galliërs te worstelen, zooals dat volk buitengemeen vindingrijk en geschikt is, om alles, wat hun voorgedaan wordt, na te bootsen en uit te voeren. Zoo vingen zij b.v. onze muurhaken met strikken op en hadden ze die eerst vastgebonden, dan trokken zij ze door middel van een windas naar binnen in de stad. Den aarden wal onderwoelden zij door loopgraven, met des te meer zaakkennis, omdat zij groote ijzerbergwerken hebben en alle soorten van mijnen bij hen bekend en gebruikelijk zijn. Den geheelen muur op alle punten hadden zij met torens bezet en deze met huiden bekleed. Dan deden zij talrijke uitvallen bij dag en bij nacht, staken onzen dam in brand, of overvielen onze soldaten bij den arbeid, en zooveel als onze torens door dagelijks bijwerpen van aarde hooger werden, zooveel vergrootten ook zij de hoogte van hun torens door de hoekbalken met aangevoegde stukken te verlengen. Den voortgang onzer open loopgraven trachtten zij door van voren aangebrande en spits gemaakte balken, gloeiend pek en steenen van ongehoord gewicht, op te houden, en op deze wijze te verhinderen, dat die loopgraven dichter bij de muren kwamen.
23. Alle Gallische muren zijn ongeveer op de volgende wijze gebouwd: Eerst worden in horizontale richting loopende balken van veertien voet lengte met gelijke tusschenruimten, namelijk twee voet van elkander, op den grond gelegd. Deze balken worden binnenwaarts aan elkaar geklampt en dan met veel aarde bedekt; in het front echter worden de tusschenruimten tusschen de balken waarvan wij gesproken hebben, met groote steenen geheel