dingen erop, zoodat men nauwelijks kon overleggen, waarheen men het eerst zou ijlen, of waar men het eerst hulp zou brengen. Omdat echter naar Caesar's regeling steeds twee legioenen vóór de legerplaats op wacht stonden, en meerdere andere in regelmatige afwisseling aan den arbeid waren, duurde 't niet lang, of de eenen trachtten de uitvallen te verhinderen, de anderen trokken de torens terug en maakten een opening in den dam; het geheele legerkamp echter snelde toe om te blusschen. 25. De dag was al aangebroken, zonder dat het gevecht op één punt was gestaakt. Nog altijd leefde bij den vijand de hoop op de overwinning weer op, en des te meer, daar hij zag, dat de borstweringen onzer torens verbrand waren en dat dus de onzen ongedekt niet gemakkelijk ter hulp konden snellen. Bij hen daarentegen losten voortdurend frissche manschappen de vermoeiden af en zij meenden, dat al het heil van Gallië van dit oogenblik afhing. Daar gebeurde iets voor onze oogen, dat merkwaardig genoeg schijnt, om niet met stilzwijgen voorbij te gaan. Een Galliër voor de stadspoort wierp klompjes talk en pek, die van hand tot hand toegereikt werden, tegenover een onzer torens in het vuur; een schorpioenpijl[1] werd hem door de rechterzijde geschoten en hij stortte dood neder. Eén van hen, die in zijn onmiddellijke nabijheid stonden, sprong over zijn lijk heen en zette het werk van den gevallene voort; deze werd evenzoo door den worp van een schorpioen gedood; een derde en een vierde namen zijn plaats in, en zoo werd die plek door de belegerden niet eerder verlaten, dan toen de brand van den dam was gebluscht, de vijanden overal waren teruggeworpen en het gevecht daarmee was geëindigd.
- ↑ Een schorpioen is een belegeringswerktuig, waarmee men steenen pijlen enz. schoot.