Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/212

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

26. Toen de Galliërs alles hadden geprobeerd en niets hun was gelukt, namen zij den volgenden dag, op raad en bevel van Vercingetorix, het besluit, de stad te verlaten. Zij hoopten dat in de stilte van den nacht zonder groot verlies te kunnen doen, deels, omdat Vercingetorix' legerplaats niet ver van de stad af was, deels, wijl een daartusschen liggend uitgestrekt moeras de Romeinen bij het vervolgen ophield. Reeds maakten zij in den nacht aanstalten daartoe, toen opeens de vrouwen in de straten liepen, zich weenend voor de voeten der haren wierpen en op het dringendst smeekten, haar en hun gemeenschappelijke kinderen, daar deze toch wegens hun natuurlijke zwakte niet mede konden vluchten, niet aan de vijanden ter marteling over te laten. Toen zij de mannen bij hun voornemen zagen volharden, daar meestal in het grootste gevaar de vrees geen medelijden kent, begonnen zij luid te schreeuwen en de Romeinen teekenen te geven, dat hun mannen wilden vluchten. De Galliërs gaven nu uit vrees, dat de Romeinsche ruiterij hun den weg zou afsnijden, hun plan op.

27. Den volgenden dag, als Caesar reeds een toren had vooruitgeschoven en aan alle belegeringswerken, die hij verordend had uit te voeren, hun goede richting had gegeven, viel er een hevige stortregen. Hij hield dit weer voor zeer geschikt om een onverwachten aanval te doen, omdat hij zag, dat de posten op den muur niet zoo zorgvuldig als altijd waren opgesteld. Hij liet daarom ook zijn eigen manschappen den arbeid wat minder ijverig ter hand nemen, en gaf hun de noodige aanwijzingen. Hierop liet hij de legioenen zich verdekt binnen de schutdaken gereed maken tot het gevecht, wekte hen op, nu eindelijk voor hun grooten arbeid en groote inspanningen de vrucht der overwinning te oogsten, stelde belooningen in uitzicht voor hen, die het eerst den muur zouden beklommen hebben, en gaf dan