Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/213

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zijn soldaten het teeken tot den aanval. Van alle kanten stormden zij plotseling te voorschijn en bezetten snel den muur.

28. De vijanden, door dezen onverwachten overval geheel ontsteld en van den muur en de torens verjaagd, stelden zich wigvormig op de markt en de open plaatsen op, met het doel, in geregelde slagorde te vechten, indien de Romeinen van den een of anderen kant tegen hen aanrukten. Toen zij echter zagen, dat de Romeinen niet naar beneden kwamen op den effen bodem der stad, maar zich rondom op den geheelen muur uitbreidden, stormden zij, in de vrees, ook het laatste uitzicht op de vlucht te verliezen, na de wapenen te hebben weggeworpen, zonder ophouden naar de uiterste einden der stad. Hier werden zij voor een deel, in den nauwen uitgang der poorten opeendrongen, door de legioensoldaten, voor een ander deel buiten de poorten door de ruiterij neergesabeld. Niemand dacht aan buit. Verbitterd over den moord der Romeinsche burgers te Cenabum en den harden arbeid bij dit beleg, spaarden onze soldaten grijsaards, vrouwen, noch kinderen. Kortom, van de gansche bevolking, die ongeveer 40 duizend zielen bedroeg, kwamen er nauwelijks 800, die bij het eerste alarm uit de stad gevlucht waren, ongedeerd bij Vercingetorix. Uit vrees, dat door hun gelijktijdige aankomst en door het medelijden, dat daardoor zou worden opgewekt, een opstand in het legerkamp zou uitbarsten, liet Vercingetorix, toen het reeds laat in den nacht was, deze vluchtelingen in alle stilte opvangen; hij had daartoe zijn vertrouwden en de vorsten der stammen op behoorlijken afstand op den weg verdeeld, om de vluchtelingen van elkaar af te scheiden en hen dan te brengen naar dat deel van de legerplaats, dat aan ieder van hun stammen van 't begin af was toegewezen.