Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/214

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

29. Den volgenden dag riep Vercingetorix een algemeene vergadering bijeen, troostte zijn Galliërs en wekte hen op, toch niet zoo geheel en al te versagen, of door hun tegenspoed de bezinning te verliezen. De Romeinen hadden niet door dapperheid of in open veldslag, maar door een krijgslist en door hun belegeringskunst, waarin de Galliërs zelf nog onbedreven waren, overwonnen. Men dwaalde, als men in den oorlog louter geluk verwachtte. Hij was nooit voor de verdediging van Avaricum geweest; daar waren zijzelf getuigen van; maar door het onverstand der Biturigers en de te groote toegefelijkheid der overigen had men zich dit onheil berokkend. Hij zou dat echter snel door grootere voordeelen weer goedmaken. Want door zijn onvermoeide werkzaamheid zou hij de staten van Gallië, die zich tot dusver van de overige verre hadden gehouden, tot aansluiting bewegen en de eenheid van gansch Gallië bewerken; en was Gallië één, dan zou zelfs de geheele wereld het niet kunnen weerstaan. En dit doel had hij reeds bijna bereikt. Intusschen was het billijk, in hun gemeenschappelijk belang te verlangen, dat zij besloten hun legerplaats te versterken, om plotselinge aanvallen van den vijand des te gemakkelijker te kunnen afweren."

30. Deze rede klonk den Galliërs niet onwelgevallig in de ooren, en wel hoofdzakelijk, omdat Vercingetorix, al had hij ook zulk een groot verlies geleden, den moed niet verloren, of zich verborgen en aan het gezicht der menigte onttrokken had. Men meende zelfs, dat hij een ruimer blik in de toekomst had, wijl hij, toen nog niets geschied was, eerst had geoordeeld, dat Avaricum moest worden in brand gestoken, daarna, dat men de plaats moest opgeven. Terwijl alzoo tegenspoed het aanzien van andere veldheeren vermindert, nam daarentegen zijn aanzien door dat ongeluk dagelijks toe. Te gelijk kregen de Galliërs na zijn