Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/218

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

sloegen ook haast vlak tegenover elkander hun legerplaatsen op. Vercingetorix had wachten opgesteld, opdat de Romeinen niet hier of daar een brug zouden slaan en met hun troepen over de rivier gaan. Caesars toestand was daardoor zeer moeilijk, want hij moest vreezen, het grootste deel van den zomer door de rivier te worden opgehouden, omdat men in den regel niet vóór den herfst de Elaver op een ondiepe plaats kan doorwaden. Om dat te verhoeden, sloeg Caesar tegenover een der bruggen, die Vercingetorix had laten afbreken, in een boschrijke streek zijn legerplaats op en bleef hier den volgenden dag met twee legioenen verdekt staan; de overige troepen met den geheelen trein liet hij als gewoonlijk uitrukken, na eenige cohorten versnipperd te hebben[1], opdat het getal legioenen onveranderd scheen. De legioenen ontvingen bevel, zoo ver mogelijk uit te rukken, en toen hij, naar den tijd van den dag te rekenen, vermoedde, dat zij in de legerplaats waren aangekomen, liet hij op dezelfde palen, waarvan het onderste stuk nog in goeden toestand was gebleven, de brug herstellen. Dat was spoedig gedaan; de legioenen gingen erover, een geschikte plaats werd voor legerkamp uitgekozen, en daarna riep Caesar de overige troepen terug. Op de tijding hiervan marcheerde Vercingetorix in groote marschen vooruit, om niet tegen zijn wil tot een beslissenden slag gedwongen te worden.

36. Van dit punt kwam Caesar in vijf dagmarschen voor Gergovia aan, en nog op denzelfden dag kwam het tot een klein ruitergevecht. Na de ligging der stad in oogenschouw te hebben genomen, die, gebouwd op een zeer hoogen berg, van alle kanten moeilijk toegankelijk was, wanhoopte hij eraan, haar door storm te kunnen nemen, en besloot hij ook

  1. Volgens de lezing carptis cohortibus.