naamste waren. Met dezen deelde hij het geld en vuurde hen aan, eraan te denken, dat zij vrije mannen en tot heerschen geboren waren. „ De staat der Haeduërs alleen stond aan de besliste zege van Gallie nog in den weg; door den invloed van dien staat werden de anderen nog teruggehouden; ging hij over, dan hadden de Romeinen in Gallië geen plek meer om zich staande te houden. Hijzelf had wel eenige verplichting aan Caesar, maar hij had van hem toch slechts verkregen wat zijn goed recht was; de vrijheid van allen moest hij hooger stellen. Waarom zouden zich de Haeduërs in vragen van hun recht en hun staatswetten eerder tot Caesar wenden als scheidsrechter, dan de Romeinen tot de Haeduërs?" Door deze woorden van den hoogsten staatsambtenaar en niet minder door het geld lieten de jonge lieden zich snel verleiden en verklaarden zich zelfs bereid, zelf aan de spits der onderneming te treden. De wijze van uitvoering maakte nog een punt van onderzoek uit, want zij betwijfelden, of de staat zoo klakkeloos tot het aanvangen van een oorlog kon worden bewogen. Men besloot, dat Litaviccus het opperbevel over die 10.000 man, die men Caesar zou zenden, zou hebben en hen den Romeinschen veldheer toevoeren; zijn broeders zouden vooruit tot Caesar gaan. Hoe dan alles verder uitgevoerd zou worden, spraken zij eveneens af.
38. Litaviccus nam de troepen in ontvangst en ging met hen op marsch. Ongeveer dertig mijlen van Gergovia riep hij plotseling de soldaten bijeen en sprak hen onder tranen aan: „Waarheen gaan wij, soldaten? Onze gansche ruiterij, onze geheele adel is vernietigd. De eerste mannen van onzen staat, Eporedorix en Viridomarus, zijn aangeklaagd van verraad en, zonder zich te hebben kunnen verdedigen, door de Romeinen ter dood gebracht. Verneemt dit van hen, die aan het bloedbad zelf ontkomen zijn; want