ik, die mijn broeders en al mijn verwanten daarbij verloren heb, kan van smart het gebeurde niet verhalen." Nu werden de lieden voor de vergadering gebracht, die hij reeds van te voren goed had geleerd, wat zij moesten zeggen, en dezen zetten nu voor de menigte hetzelfde uiteen, wat Litaviccus reeds gezegd bad, dat vele ruiters der Haeduërs waren neergestooten, omdat zij met de Arverners zouden verkeerd hebben; zijzelf hadden zich onder de menigte van soldaten verscholen en waren zoo midden uit het bloedbad ontkomen. De Haeduërs hieven nu een geschreeuw aan en smeekten Litaviccus, raad te schaffen. „Alsof hier, zoo antwoordde hij, nog raad noodig en ' t niet veelmeer noodzakelijk is, dat wij naar Gergovia ijlen en ons met de Arverners vereenigen. Of kunnen wij nog twijfelen, dat de Romeinen, na deze godvergeten misdaad op zich te hebben geladen, zullen toesnellen, om ook ons te vermoorden? Laten wij derhalve, indien er nog eenige moed in ons is, den dood onzer zoo schandelijk vermoorde landgenooten wreken en deze moordenaars neerhouwen." Hier wees hij op de Romeinsche burgers, die medegetrokken waren in vertrouwen op zijn bescherming; hij liet een groote menigte koorn en levensmiddelen, die zij medevoerden, van hen wegnemen en henzelf onder gruwzame martelingen dooden. Te gelijk zond hij boden rond in het geheele land der Haeduërs hitste het volk door denzelfden leugen van den moord hunner ruiters en vorsten op en zette hen aan, om evenals hijzelf de ondergane gewelddadigheden te wreken. 39. Onder de ruiterij bevonden zich, daartoe uitdrukkelijk door Caesar ontboden, de Haeduër Eporedorix, een jonkman van hooge geboorte en zeer groot aanzien in zijn staat, en Viridomarus, van gelijke jaren en gelijken invloed als hij, maar van geringer afkomst, door Diviciacus aan Caesar aanbevolen, die hem uit nederige stelling tot
Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/221
Uiterlijk