Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/223

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hun landgenooten toeroepen. Toen de Haeduërs hen bemerkten en het bedrog van Litaviccus doorzagen, strekten zij de handen uit, gaven hun onderwerping te kennen, wierpen de wapens weg en smeekten, hun leven te sparen. Litaviccus vluchtte met zijn vasallen, die naar Gallische gewoonte hun heeren zelfs in den uitersten nood niet in den steek mogen laten, naar Gergovia.

41. Caesar zond terstond boden aan de Haeduërs, met het bericht, dat hij hun troepen, die hij naar het oorlogsrecht, had kunnen dooden, in zijn goedheid had begenadigd. Na zijn leger een rust van drie uren te hebben gegund, brak hij op naar Gergovia. Op het midden van den weg ongeveer kwamen ruiters, door Fabius gezonden, hem tegen, die hem het groote gevaar beschreven, waarin deze verkeerd had. Zij verhaalden, dat de vijand met alle macht de legerplaats had bestormd; de aanvallers hadden hun vermoeide manschappen herhaaldelijk met versche troepen afgelost en de onzen, die bij de uitgestrektheid van het legerkamp voortdurend op den wal moesten blijven, door den onafgebroken arbeid afgemat. Velen waren door de menigte pijlen en alle mogelijke werptuigen gewond; het grof geschut[1] had er veel toe bijgedragen, dat men 't had uitgehouden. Na den aftocht der vijanden liet Fabius alle torens, op twee na, versperren, borstweringen op den wal aanbrengen en voorbereidingen treffen voor den volgenden dag tegen een gelijken aanval. Op dit bericht bespoedigde Caesar zijn marsch en kwam, dank zij de buitengewone inspanning der troepen, vóór zonsopgang in de legerplaats aan.

42. Terwijl dit bij Gergovia voorviel, namen de Haeduërs,

  1. Dat waren katapulten en ballisten, waarmee balken en steenen werden geslingerd.