Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/224

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

toen zij de eerste berichten van Litaviccus hadden ontvangen, den tijd niet om de waarheid ervan te onderzoeken, maar lieten zich, de eenen door hebzucht, de anderen door drift en onbezonnenheid, een eigenschap, die deze natie bij uitstek is aangeboren, verleiden, om een ongegrond gerucht voor een uitgemaakte waarheid te houden. Zij plunderden de Romeinsche burgers, vermoordden hen, sleepten hen weg in slavernij. Convictolitavis verhaastte de beslissing en dreef het volk zoozeer aan tot razernij, dat het een zware misdaad bedreef, die hun uit valsche schaamte den terugkeer tot het gezond verstand onmogelijk maakte. Zoo lieten zij den krijgstribuun Marcus Aristius, die op marsch was naar zijn legioen, onder toezegging van vrijgeleide, uit de stad Cabillonum (Châlons sur Saône) trekken en dwongen de Romeinsche burgers, die zich daar hadden gevestigd om handel te drijven, hetzelfde te doen. Zoodra zij onderweg waren, overviel men hen plotseling en beroofde hen van al hun bagage. Toen zij zich te weer stelden, werden zij een dag en een nacht omsingeld gehouden, en na groote verliezen aan beide zijden, riepen de Haeduërs een grootere menigte gewapenden op.

43. Ondertusschen kwam het bericht, dat al hun soldaten in Caesars macht waren. Nu bestormden zij Aristius en verklaarden hem, dat de regeering geheel buiten dit alles stond. Zij besloten nu een onderzoek aangaande de plunderingen in te stellen, verklaarden de goederen van Litaviccus en diens broeders verbeurd en zonden gezanten naar Caesar, om zich te verontschuldigen. Dit deden zij, om hun landgenooten uit Caesars handen te krijgen; maar te gelijk begonnen zij, met schuld bevlekt en verlokt door het voordeel van de geplunderde goederen, waarbij zoovelen betrokken waren, en eindelijk uit vrees voor straf, in 't geheim plannen tot den oorlog op te vatten en ruiden ook