tot den stadsmuur en de poorten genaderd waren. Toen ging uit alle deelen der stad een geschreeuw op; die in de verderaf gelegen gedeelten woonden, verschrikt door het plotselinge rumoer, vluchtten ijlings de stad uit, daar zij den vijand binnen de poorten waanden. De vrouwen wierpen kleederen en zilver van den muur naar beneden, en met ontbloote borst zich over den muur buigende, bezwoeren zij de Romeinen, met uitgebreide armen, haar te sparen en niet, zooals in Avaricum, zich zelfs aan vrouwen en kinderen te vergrijpen; sommige lieten zich aan de handen van den muur naar beneden en gaven zich over aan de soldaten. Lucius Fabius, een centurio van het achtste legioen, die, zooals algemeen werd verzekerd, op dien dag onder zijn makkers had verklaard, dat hij, door Caesars belooningen bij Avaricum aangevuurd, niet zou toelaten, dat iemand vóór hem den muur beklom, nam drie soldaten van zijn manipel, liet zich door hen in de hoogte tillen en besteeg zoo den muur; dan reikte hij dezen weder, den een na den ander, de hand en trok hen eveneens op den muur.
48. Intusschen stormden de troepen, die, als boven verhaald, bij het andere deel van de stad aan de verschansing bezig waren, eerst op het geschreeuw, dat zij hoorden, dan aangespoord door boodschap op boodschap, dat de stad in handen der Romeinen was, in de grootste haast, de ruiters vooraan, er heen. In de rij, zooals zij kwamen, stelden zij zich op aan den voet van den muur en versterkten zoo het aantal der Gallische strijders. Toen zich nu een groote menigte troepen had verzameld, begonnen de vrouwen, die kort tevoren haar armen van den muur naar de Romeinen hadden uitgestrekt, haar landgenooten te bezweren, naar Gallisch gebruik op haar loshangende haren te wijzen en lieten haar kinderen te voorschijn komen. Het was een ongelijke strijd voor de Romeinen; het terrein en het