aantal had de vijand voor zich, en bovendien door den stormloop en den duur van het gevecht vermoeid, hielden zijzelf niet gemakkelijk tegen versche en nog ongebruikte troepen stand.
49. Toen Caesar zag, dat de onzen in ongunstige stelling streden en de vijandelijke strijdkrachten vermeerderden, werd hij zeer bezorgd voor de zijnen en zond den legaat Titus Sextius, dien hij tot bescherming der kleinere legerplaats had achtergelaten, daarom bevel, om spoedig met zijn cohorten uit de legerplaats op te rukken en aan den voet van den heuvel in de rechterflank van den vijand stelling te nemen, ten einde, indien hij zag, dat de onzen naar beneden werden geworpen, de vijanden door zijn houding af te schrikken van een te drieste vervolging. Caesar zelf rukte met zijn legioen wat verder voort en wachtte hier den afloop van het gevecht af.
50. Terwijl er op het hevigst man tegen man werd gevochten, door de vijanden in vertrouwen op het terrein en hun overmacht, door de onzen in vertrouwen op hun dapperheid, werden de laatsten plotseling in hun rechterflank de Haeduërs gewaar, die Caesar langs een anderen weg rechts bergopwaarts had gezonden, om de vijanden te verhinderen, hun krachten op één punt te verzamelen. Die Haeduërs deden door de gelijkheid in uitrusting de onzen hevig ontstellen, en alhoewel men bemerkte, dat zij de rechter schouders ontbloot hadden, dat in den regel als onderscheidingsteeken gold[1], meenden toch onze soldaten, dat dit juist door de vijanden gedaan was, om hen te
- ↑ Om de met de Romeinen verbonden Galliërs te onderscheiden van hun vijandige landgenooten, was in den regel als onderscheidingsteeken overeengekomen, dat de eersten hun rechter schouder zouden ontblooten.