Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/231

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

52. Den volgenden dag liet Caesar de troepen tezamen komen, berispte de roekeloosheid en hartstochtelijkheid der soldaten, dat zij zich hadden aangematigd te bepalen, waarheen zij moesten voortrukken, of wat zij moesten doen, en dat zij, niettegenstaande het teeken tot den terug, tocht was gegeven, toch niet halt hadden gemaakt en zich door de tribunen en legaten niet hadden laten terughouden. Hij zette hun uiteen, wat de moeielijkheid van het terrein had te beteekenen, hoe hij dat zelf bij Avaricum had ondervonden, toen hij den vijand zonder aanvoerder en zonder ruiterij had verrast en nochtans een zekere overwinning uit de handen had gegeven, om niet, wegens het ongunstig terrein, in den strijd een, zij 't ook nog zoo gering, verlies te lijden. Hoezeer hij ook hun heldenmoed bewonderde, die zich niet door de verschansingen der legerplaats, niet door de hoogte van den berg, noch door den stadsmuur had laten ophouden, zoo berispte hij evenzeer hun teugelloosheid en aanmatiging, dat zij gemeend hadden, beter dan de veldheer de overwinning en het gevolg ervan te beoordeelen; hij verlangde van een soldaat niet minder gehoorzaamheid en zelfbeheersching, dan dapperheid en heldenmoed.

53. Na deze rede tot de verzamelde troepen gehouden en aan het slot ervan de soldaten opgewekt te hebben, daarom toch niet den moed te laten zakken, en hetgeen het ongun, stige terrein had uitgewerkt, niet aan de dapperheid der vijanden toe te schrijven, brak hij, wijl hij over zijn aftocht van Gergovia nog evenzoo dacht als vroeger, met zijn legioenen op uit de legerplaats en stelde zich op een geschikte plaats in slagorde op. Doch Vercingetorix liet zich daardoor niet verlokken, om in de vlakte af te dalen, en Caesar voerde dus na een klein, maar voor hem gunstig ruitergevecht zijn leger in de legerplaats terug. Ditzelfde