herhaalde zich op den volgenden dag, en daarmee geloofde Caesar genoeg te hebben gedaan, om de Gallische praalzucht te deemoedigen en den moed zijner soldaten te versterken. Hij brak daarom op naar het gebied der Haeduërs. Daar de vijanden ook nu zelfs niet hem achtervolgden, kwam hij op den derden dag aan de Elaver, herstelde de bruggen en trok met het leger erover.
54. Hier lieten zich de Haeduërs Viridomarus en Eporedorix bij Caesar aanmelden, die hem meedeelden, dat Litaviccus zich met de geheele ruiterij naar de Haeduërs had begeven, om hen op te ruien; zij moesten zelf daarom noodzakelijk vooruitgaan, om hun staat in zijn goede gezindheid jegens Rome te versterken. Caesar had reeds vele bewijzen van de trouweloosheid der Haeduërs en geloofde, dat de afreis van deze beide mannen den afval van dit volk slechts zou bespoedigen. Niettemin wilde hij hen niet terughouden, om den schijn eener gewelddadige handelwijze, of van vrees te vermijden. Bij het afscheid stelde hij hun nog eens kortelijk zijn verdiensten betreffende de Haeduërs voor oogen, in welk een toestand van machteloosheid hij hen gevonden had teruggedrongen in hun steden, beroofd van hun grondbezit, van alle middelen ontbloot, schatplichtig, op het smadelijkst tot het stellen van gijzelaars gedwongen; tot welk een welstand daarentegen, tot welk een aanzien hij hen had gebracht, zoodat zij niet alleen hun vroegere stelling hadden teruggewonnen, maar zelfs grooter aanzien en grooter invloed bezaten, dan ooit hun deel was geweest. Met deze opdrachten liet hij hen gaan.
55. Aan de oevers van den Liger lag op een voordeelig punt Noviodunum (Nevers), de stad der Haeduërs. Hier had Caesar alle gijzelaars der Galliërs, den koornvoorraad, de krijgskas en een groot deel van zijn eigen bagage en die des legers vereenigd; hierheen had hij ook een groot aantal paar-