Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/234

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

provincie te wenden — wat toen niemand voor absoluut, noodzakelijk hield[1] —, daarvan hielden hem deels het schandelijke en stuitende der zaak, deels het tusschenliggende gebergte der Cevennen en de moeielijkheid der wegen, doch vooral zijn groote bezorgdheid voor den ver verwijderden Labienus en de legioenen, die hij met hem naar Agedincum had gezonden, terug. Derhalve maakte hij dag en nacht ongemeen groote marschen en kwam tegen aller verwachting aan den Liger. Zijn ruiters hadden spoedig een doorwaadbare plaats gevonden, die bij deze dringende omstandigheden voldoende mocht heeten, daar juist nog de armen en de schouders boven het water bleven, om de wapenen in de hoogte te houden. Caesar stelde nu de ruiterij zóó op, dat zij de kracht van den stroom brak, en ging ongedeerd met het leger over, terwijl de vijanden bij den eersten aanblik geheel verward waren. Hij vond op den anderen oever koorn op de velden en vee in menigte, voorzag het leger daar rijkelijk mede en begon den marsch naar het land der Senonen.

57. Terwijl dit bij Caesar voorviel, brak Labienus, met achterlating te Agedincum van de kort geleden uit Italië gekomen aanvullingstroepen ter bescherming van den legertrein, met vier legioenen tegen Lutetia op. Dat is een stad der Parisiërs, gelegen op een eiland in de Sequana (Seine). Op het bericht van zijn nadering vereenigden zich daar groote troepenmassa's uit de naburige staten. Het opperbevel werd den Aulerker Camulogenus opgedragen, die, schoon een zwakke grijsaard, echter wegens zijn buitengewone krijgskennis uitdrukkelijk tot deze waardigheid werd geroepen. Toen deze had opgemerkt, dat het moeras, dat zijn uitwatering heeft in de Sequana en den doortocht

  1. In andere uitgaven luidt de tekst: ut nemo non tum enz, hetgeen juist het tegenovergestelde wil zeggen.