Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/235

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

door de gansche streek zeer bezwaarlijk maakte, onafgebroken doorliep, nam hij hier stelling en maakte aanstalten, om den onzen den overgang te beletten.

58. Labienus trachtte eerst schutdaken voort te schuiven, het moeras met horden en puin te vullen en zich zoo een weg te banen. Toen dit evenwel te moeilijk bleek, verliet hij met de derde nachtwake in alle stilte zijn legerplaats en ging denzelfden weg, waarlangs hij gekomen was, naar Melodunum (Melun)[1]. Dat is een stad der Senonen op een eiland in de Sequana gelegen, evenals Lutetia, zooals wij kort te voren hebben gezegd. Daar vielen ongeveer veertig schepen in zijn handen; hij liet ze dadelijk koppelen en bemannen, en maakte zich daarna zonder strijd van de stad meester, wijl de bewoners, waarvan een groot deel tot den oorlog was opgeroepen, door deze overrompeling buiten zichzelve van schrik waren. Nadat daarop de brug, die de vijanden eenige dagen vroeger hadden afgebroken, was hersteld, ging hij met het leger daarover en marcheerde stroomafwaarts naar Lutetia. Toen de vijanden dit van de vluchtelingen uit Melodunum vernamen, lieten zij Lutetia in brand steken en de bruggen der stad afbreken; zijzelf trokken dan van het moeras weg en legerden zich aan den oever der Sequana tegenover Lutetia en de legerplaats van Labienus.

59. Reeds ging de mare, dat Caesar het beleg van Gergovia had opgebroken, reeds verbreidden zich geruchten van den afval der Haeduers en den gelukkig geslaagden Gallischen opstand, en de Galliërs verzekerden in hun gesprekken, dat Caesar van zijn marschroute en van den Liger was afgesneden en door gebrek aan levensmiddelen haastig naar de provincie was opgebroken. Op het

  1. Volgens de meer algemeene lezing. In onzen tekst staat: Metiosedum