bericht van den afval der Haeduërs begonnen de reeds vroeger al op zichzelve onbetrouwbare Bellovaken troepen bijeen te trekken en openlijk zich tot den oorlog toe te rusten. Thans bij deze algeheele verandering van den toestand zag Labienus wel in, dat hij een geheel ander plan moest volgen, dan hij te voren had vastgesteld. Aan het behalen van eenig voordeel en aan het aanvallen van den vijand dacht hij niet meer, maar slechts daaraan, hoe hij het leger zonder eenig verlies naar Agedincum zou terugvoeren. Want aan de eene zijde bedreigden hem de Bellovaken, die bij de Galliërs in den hoogsten roep van dapperheid staan, aan de andere zijde stond Camulogenus met een slagvaardig en goed toegerust leger; bovendien waren de legioenen van hun legerkamp en hun bagage door een breeden stroom afgesneden en gescheiden. Onder zulke moeilijke, zich plotseling opdoende omstandigheden zag hij de eenige uitredding in een koen besluit.
60. In een krijgsraad, dien hij tegen den avond had bijeengeroepen, wekte Labienus op, om nauwkeurig en zorgvuldig zijn bevelen na te komen; daarna verdeelde hij de van Melodunum meegevoerde schepen onder de Romeinsche ridders, elk één, en beval hun, aan het einde der eerste nachtwake in alle stilte vier mijlen stroomafwaarts te varen en hem daar te wachten. Vijf cohorten, die hij het minst deugdelijk voor het gevecht hield, liet hij ter bezetting van de legerplaats achter, de vijf overige van hetzelfde legioen liet hij tegen middernacht met den ganschen tros onder groot rumoer stroomopwaarts marcheeren. Ook liet hij booten opzoeken en deze zond hij met zeer luiden riemslag in dezelfde richting. Kort daarna brak hij zelf met drie legioenen in alle stilte op en ging naar hetzelfde punt, waar de schepen overeenkomstig zijn bevel moesten te land komen.