61. Toen hij daar was aangekomen, werden de vijandelijke posten, zooals zij overal langs de rivier hier en daar waren opgesteld, bij een plotseling opgekomen onweer, door de onzen overvallen. Het voetvolk en de ruiterij werden nu onder leiding der Romeinsche ridders, aan wie hij deze taak had toevertrouwd, snel overgezet. Tegen het aanbreken van den dag kregen de vijanden bijna te gelijker tijd bericht, dat er in de Romeinsche legerplaats een ongewoon rumoer was, dat een groote marschkolonne stroomopwaarts rukte en men den slag van roeiriemen in dezelfde richting hoorden, eindelijk, dat een weinig verder benedenwaarts soldaten op schepen de rivier werden overgezet. Op deze berichten afgaande, geloofden de vijanden, dat de legioenen op drie plaatsen de rivier overgingen en dat allen in ontsteltenis over den afval der Haeduërs slechts dachten aan de vlucht. Zij deelden daarom ook hun strijdkrachten in drie deelen. Eén afdeeling bleef tegenover de Romeinsche legerplaats staan, een andere, zwakke, afdeeling werd in de richting van Metiosedum (Meudon) gezonden, met het bevel, zoo ver voorwaarts te rukken, als de schepen gingen, en met de rest rukten zij op tegen Labienus.
62. Met het aanbreken van den dag stond ons geheele leger aan den overkant der rivier en zag men het vijandelijk leger in slagorde vóór zich. Labienus wekte de soldaten op, hun oude dapperheid en de vele gelukkige gevechten, die zij hadden geleverd, te gedenken, en zich voor te stellen, dat Caesar, die hen zoo dikwerf ter overwinning had geleid, in eigen persoon tegenwoordig was. Daarop gaf hij het teeken tot den aanval. Bij den eersten aanval werden de vijanden op den rechtervleugel, waar het zevende legioen stond, teruggeworpen en op de vlucht gejaagd; op den linkervleugel, waar het twaalfde legioen stond, werden weliswaar de eerste gelederen van den vijand