Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/238

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

door onze werpspiesen neergeveld, maar de overigen bleven den hardnekkigsten tegenstand bieden, en niemand van hen dacht aan vluchten. Hun opperbevelhebber Camulogenus was hier in persoon aanwezig en vuurde de zijnen aan. De uitslag van den strijd was nog onzeker, toen de tribunen van het zevende legioen, op het bericht van den toestand op den linkervleugel, zich met hun troepen in den rug der vijanden vertoonden en lieten aanvallen. Zelfs nu week niemand van zijn plaats; maar van alle kanten aangegrepen, werden zij allen gedood. Camulogenus onderging hetzelfde lot. Maar toen zij, die tegenover de legerplaats van Labienus tot tegenweer waren achtergelaten, van het gevecht hadden gehoord, snelden zij ter hulpe en bezetten een heuvel, doch konden den aanval onzer overwinnende soldaten niet weerstaan. Zoo werden zij mede in de vlucht der anderen medegesleept, en, zoover zij niet in de bosschen of op de bergen een toevlucht vonden, door de ruiterij nedergehouwen. Nadat dit gedaan was, keerde Labienus naar Agedincum terug, waar de trein van het geheele leger was achtergelaten; van daar kwam hij op den derden dag met al zijn troepen bij Caesar.

63. Zoodra de afval der Haeduërs bekend werd, greep de oorlog nog verder om zich heen. Naar alle kanten, zonden zij gezantschappen; zij gaven zich moeite, met al hun aanzien, al hun invloed en geld, de staten tot opstand te brengen. In 't bezit der gijzelaars, die Caesar bij hen had gelaten, joegen zij den besluiteloozen schrik aan met de bedreiging, dat zij die gijzelaars zouden ter dood brengen. Zij verzochten Vercingetorix tot hen te komen en met hen tezamen het plan van den oorlog te ontwerpen. Nadat zij dat verkregen hadden, verlangden zij de opperste leiding, en toen daardoor strijd ontstond, werd een landdag voor