Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/239

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

gansch Gallië te Bibracte uitgeschreven. De Galliërs verschenen er van alle kanten op den bepaalden dag in grooten getale. De zaak werd aan de vergadering bij stemming onderworpen, en allen zonder uitzondering verklaarden zich voor Vercingetorix als opperbevelhebber. Op dezen landdag waren de Remers. Lingonen en Trevirers niet vertegenwoordigd; de beide eerste stammen, omdat zij het verbond met Rome trouw bleven, de Trevirers, omdat zij te ver af woonden en door de Germanen werden in 't nauw gebracht, hetgeen ook de reden was, waarom zij aan den geheelen oorlog geen deel namen en aan geen van beide partijen hulptroepen zonden. Den Haeduërs deed het bijzonder leed, dat zij van de opperste leiding waren beroofd, zij beklaagden de wisseling van het lot en wenschten de vroegere verhouding tot Caesar terug; evenwel waagden zij het niet, nu zij eenmaal den eersten stap tot vijandelijkheden hadden gedaan, zich van de overigen te scheiden. Onwillig stelden die eerzuchtige jonge mannen Eporedorix en Viridomarus zich onder de bevelen van Vercingetorix.

64. Deze beval den overigen staten, op een bepaalden dag gijzelaars te stellen en gelastte, dat de geheele ruiterij, 15.000 man sterk, onverwijld zich zou verzamelen; wat het voetvolk betreft, zoo verklaarde hij, genoeg te hebben aan wat hij tot nog toe had, want hij zou het geluk niet op de proef stellen en geen open veldslag leveren. Bij zijn overmacht aan ruiterij was het zeer gemakkelijk, den Romeinen het fourageeren onmogelijk te maken; men moest zelf maar getroost zijn graanvoorraad vernietigen en de huizen in brand steken; door dit verlies van hun particulier bezit zouden zij, zooals zij zouden zien, voor eeuwig de heerschappij en de vrijheid verkrijgen. Na dit te hebben geregeld, gaf hij den Haeduërs en Segusiavers, de naaste