buren der provincie, bevel, 10.000 man voetvolk te leveren, waaraan hij 800 ruiters toevoegde. Het commando over deze troepen droeg hij op aan een broeder van Eporedorix, met het bevel de Allobrogen te beoorlogen. Aan de andere zijde zond hij de Gabalers en de contingenten uit de aangrenzende gouwen der Averners tegen de Helviërs, evenzoo de Ruteners en de Cadurkers, om het gebied der Arecomische Volkers te verwoesten. Buitendien ruide hij in 't geheim door boden en gezanten de Allobrogen op, in de hoop, dat hun gemoederen van den vroegeren oorlog nog niet tot rust waren gekomen. Hun vorsten beloofde hij geld, hun staat echter de heerschappij over de geheele Romeinsche provincie.
65. Voor al deze gevallen had men slechts 22 cohorten ter beschikking, die, uit de provincie zelve bijeengetrokken, door den legaat Lucius Caesar overal den vijand tegenovergesteld werden. De Helviërs vielen uit eigen beweging hun naburen aan, werden evenwel teruggeworpen en met verlies van hun opperhoofd, Gajus Valerius Domnotaurus, den zoon van Caburus, en verscheidene andere vorsten, in hun steden en binnen hun muren gejaagd. De Allobrogen stelden langs den Rhodanus talrijke posten op en beschermden met groote zorg en waakzaamheid hun gebied. Daar Caesar zag, dat de vijand het overwicht had aan ruiterij en hij, bij versperring van alle wegen, geen ondersteuning uit de provincie en Italië had te verwachten, zond hij over den Rijn tot die Germaansche staten, welke hij in vroegere jaren had onderworpen, en liet van hen ruiters en licht gewapend voetvolk komen, dat tusschen de ruiterij placht te strijden. Zij bleken bij hun aankomst van minder geschikte paarden voorzien te zijn, weshalve Caesar de paarden nam der krijgstribunen en van de overige Romeinsche ridders, die te paard waren, evenals