van de uitgediende vrijwilligers, en deze onder de Germanen verdeelde.
66. Middelerwijl vereenigden zich de vijandelijke troepen, uit het land der Arverners met de ruiters, die gansch Gallië moest leveren. Toen Caesar, als reeds een groot aantal van hen was vereenigd, door het grensgebied der Lingonen naar het land der Sequanen marcheerde, om des te gemakkelijker aan de provincie bescherming te kunnen verleenen, betrok Vercingetorix ongeveer tien mijlen van de Romeinen met deze troepen drie legerplaatsen. Daarop riep hij de bevelhebbers der ruiterij tot een samenkomst bijeen en verklaarde hun, dat het uur der overwinning had geslagen; de Romeinen waren op de vlucht naar de provincie en ontruimden Gallië. Dat was hem genoeg, om voor het oogenblik de vrijheid te verkrijgen; voor den vrede en de rust in de toekomst was men daarmede weinig gevorderd, want de Romeinen zouden met grootere troepenmacht terug komen en den oorlog voortzetten. Men moest hen derhalve op den marsch, als zij niet slagvaardig waren, aanvallen. Wilde het voetvolk hulp verleenen en zich daarmee ophouden, den legertrein te beschermen, dan kon het zijn terugtocht niet voortzetten; lieten de legioenen, wat hij eerder verwachtte, den tros in den steek en waren zij slechts bedacht op hun redding, dan gingen zoowel hun oorlogsbehoeften als hun aanzien verloren. Want wat de vijandelijke ruiterij betreft, zijzelf moesten er van overtuigd zijn, dat daarvan niemand zich ook slechts buiten de marschkolonne zou wagen. En opdat zij met des te grooter moed den vijand zouden aanvallen, zou hij het geheele leger vóór de legerplaats opgesteld houden en daardoor den vijand schrik aanjagen. De ruiters riepen eenstemmig, dat men zich door den heiligsten eed moest verbinden, dat, wie niet tweemaal de vijandelijke linie doorbroken had, geen huis-