Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/242

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

vesting meer zou vinden, zijn kinderen, zijn ouders en zijn vrouw niet weer zou zien.

67. Het voorstel vond instemming, en allen moesten zoo zweren. Den volgenden dag werd de ruiterij in drie afdeelingen verdeeld; twee ervan vertoonden zich op onze flanken; de derde begon onze voorhoede in haar marsch te belemmeren. Op het bericht hiervan deelde ook Caesar zijn ruiterij in drie afdeelingen en liet haar tegen den vijand in gaan. Het gevecht begon te gelijker tijd op alle punten. Het leger maakte halt en de legioenen namen den tros in het midden. Werden onze ruiters op een of ander punt in gevaar gezien, of te zeer benauwd, dan liet Caesar het voetvolk daarheen marcheeren en gevechtstelling innemen. Dat hield den vijand op in het vervolgen en gaf den onzen moed op bijstand. Eindelijk bereikten de Germanen op onze rechterflank het hoogste punt van den bergrug en verdreven de vijanden uit hun stelling; de vluchtenden vervolgden zij tot aan de rivier, waar Vercingetorix met zijn voetvolk stond en doodden er verscheidenen. Zoodra de overige Gallische ruiters dit bemerkten, namen zij de vlucht, in de vrees te worden ingesloten. De slachting werd algemeen. Drie der voornaamste Haeduërs: Cotus, de bevelhebber der ruiterij, die op den laatsten landdag geschil had gehad met Convictolitavis. Cavarillus, die na den afval van Litaviccus het voetvolk had aangevoerd, en Eporedorix, die vóór Caesars komst de veldheer was geweest der Haeduërs in den oorlog tegen de Sequanen, werden als gevangenen voor Caesar gebracht.

68. Nadat zijn geheele ruiterij op de vlucht was geslagen, liet Vercingetorix zijn troepen, zooals hij ze vóór de legerplaats had opgesteld, den terugtocht aannemen en brak terstond op naar Alesia[1], de stad der Mandubiërs.

  1. Tegenw. Alise Ste Reine.