Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/243

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

IJlings liet hij ook de bagage uit het legerkamp brengen en nakomen. Caesar deed zijn tros met twee legioenen, die hij tot bescherming ervan achterliet, naar den vervolgde den vijand, heuvel aftrekken en naasten en vervolgde zoolang de tijd van den dag het veroorloofde. Ongeveer drie duizend man der vijandelijke achterhoede werden daarbij gedood, en den volgenden dag sloeg hij voor Alesia zijn legerplaats op. Hij nam de ligging der stad in oogenschouw, en daar de vijanden buiten zichzelve van schrik waren ten gevolge van de nederlaag, die hun ruiterij, waarop zij het grootste vertrouwen hadden, had geleden, begon Caesar de insluiting der stad, na zijn soldaten tot den arbeid te hebben opgewekt.

69. De stad zelve lag op den top van een heuvel, tamelijk hoog, zoodat zij niet dan door een geregeld beleg scheen te kunnen worden genomen. De voet van dien heuvel werd aan twee kanten door twee rivieren bespoeld. Vóór de stad breidde zich een ongeveer drie mijlen lange vlakte uit; aan alle andere zijden werd zij omringd door even hooge en op matigen afstand van de veste gelegen heuvels. Aan den voet van den muur hadden de troepen der Galliërs de geheele oostelijke zijde van den heuvel dicht bezet en voor zich heen een gracht gegraven en een muur van zes voet hoog opgetrokken- De insluitingslinie, welke de Romeinen aanlegden, had een omvang van elf mijlen. Op geschikte punten werden acht legerplaatsen opgeslagen en drie en twintig bastions ingericht. In deze bastions stonden des daags posten, om onverhoedsche uitvallen te keer te gaan; 's nachts werden zij door wachten en sterke afdeelingen bezet.

70. Toen het werk was aangevangen, kwam het tot een ruitergevecht op de vlakte, die, zooals gezegd, zich drie mijlen lang tusschen de heuvels uitbreidt. Met de