Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/246

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

richtte hij een dam en een wal op van twaalf voet hoog, daarop zette hij een borstwering met tinnen, en daar waar de uit schutdaken bestaande borstwering aan den dam was samengevoegd, werden sterke uitstekende gaffels aangebracht, om den vijanden het beklimmen moeielijk te maken. Rondom op de gansche linie richtte hij torens op, die tachtig voet van elkander stonden.

73. Men moest dus terzelfder tijd zoowel hout halen en fourageeren als aan zulke groote bevestigingswerken arbeiden, terwijl ons leger was verzwakt, omdat telkens troepenafdeelingen zich verder van de legerplaats verwijderden. Soms trachtten dan ook de Galliërs onze werken aan te tasten en deden zij uit meerdere stadspoorten met de grootste kracht een uitval. Caesar meende daarom aan zijn linie wederom nieuwe werken te moeten toevoegen, om haar met het minst mogelijk getal soldaten te kunnen verdedigen. Derhalve liet hij boomstammen of ongemeen sterke takken vellen en de toppen daarvan van schors ontdoen en spitsmaken; dan liet hij voortloopende grachten graven van vijf voet diep. Daar werden die stammen ingeslagen en, opdat zij er niet konden worden uitgerukt, van onderen goed bevestigd; met de eraangelaten takken staken zij boven den rand van de gracht uit. Het waren vijf met elkander verbonden en ineengeslingerde rijen. Die daarin binnendrongen, geraakten in de allerscherpste punten van deze palen. Men noemde ze kroeskoppen[1]. Vóór deze werden greppels van drie voet diep, in schuinsche rijen zich kruisende, gegraven, met een allengs naar den bodem toe nauwer wordende opening. Hierin liet men stammen ter dikte van

  1. De soldaten noemden ze zoo, omdat de kronen der in vijf rijen grachten ingeheide boomstammen haast ineengestrengeld waren en alzoo eenige overeenkomst met kroeshaar vertoonden.