Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/247

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

een dijbeen, die men van boven had spitsgemaakt en aangekoold, neer, zoodat zij slechts vier duim boven den grond uitstaken. Te gelijk werd, om ze beter te bevestigen, in elken kuil van onder af de grond ter hoogte van een voet vastgestampt; het overige gedeelte van de greppel werd, om de hinderlaag te verbergen, met rijs en struikgewas bedekt. Van deze greppels had men acht rijen, die elk drie voet van elkaar lagen. Om de gelijkheid in vorm met deze bloem noemde men deze verschansing lelie. Voor deze greppels werden één voet lange houten pinnen met ijzeren haken geheel in de aarde ingegraven en overal op matige afstanden van elkander verwijderd in den grond gezet. Dit noemde men voetangels.

74. Na voltooiing van al deze werken legde Caesar, — zooveel mogelijk het effenste terrein, zoover de gesteldheid van den bodem het veroorloofde, daarvoor gebruikende, — een geheel gelijke linie van veertien mijlen in omvang op de tegengestelde zijde tegen den vijand van buiten aan, opdat, als het door den aftocht der ruiterij aldus geschiedde als Vercingetorix wenschte[1]; de afzonderlijke bezettingen der verschansingen zelfs niet door een groote menigte konden worden ingesloten. Om echter ook niet gedwongen te zijn, onder gevaarlijke omstandigheden de legerplaats te verlaten, beval hij allen, zich van fourage en graan voor dertig dagen te voorzien.

75. Tijdens deze gebeurtenissen bij Alesia besloten de Galliërs in een vergadering van hun vorsten, niet, zooals Vercingetorix had gewild, de gansche weerbare bevolking op te roepen, maar slechts aan iederen staat naar gelang

  1. Vercingetorix had nl. (zie hoofdstuk 71 ) zijn geheele ruiterij weggezonden, om door geheel Gallië heen de weerbare manschap te wapen te roepen.