Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/249

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Gallië, om de vrijheid te bewaren en den ouden wapenroem terug te winnen, zoo groot, dat noch de genoten gunstbewijzen, noch de herinnering aan de vriendschap invloed op hen uitoefenden, maar allen goed en bloed voor dezen oorlog op het spel zetten. Zoo bracht men dan 8000 ruiters en omstreeks 150.000 voetknechten bijeen, die in het gebied der Haeduërs werden gemonsterd en geteld, en werden de aanvoerders benoemd. Het opperbevel werd toevertrouwd aan den Atrebaat Commius, de Haeduërs Viridomarus en Eporedorix en den Arverner Vercassivellaunus, een neef van Vercingetorix. Hun stelde men afgevaardigden der enkele staten ter zijde, onder wier leiding de oorlog zou worden gevoerd. Allen rukten opgewekt en vol vertrouwen tegen Alesia op; niemand was er, die meende, dat de Romeinen ook maar den aanblik van zulk een menigte konden uithouden, vooral bij een dubbelen aanval, wanneer uit de stad een uitval werd gedaan en van buiten zooveel troepen te paard en te voet naderden.

77. Ondertusschen was de dag voorbij, waarop de belegerden in Alesia het tot ontzet toesnellend leger hadden, verwacht. Toen nu hun geheele voorraad was opgeteerd, riepen zij, onbekend met de gebeurtenissen in het gebied der Haeduërs, een algemeene vergadering bijeen en beraadslaagden over het einde van hun lot. Velerlei meeningen werden uitgesproken; sommigen raadden tot overgave aan, anderen tot een uitval, zoolang men nog de kracht daartoe had. En hier mogen wij de rede van Critognatus wegens haar ongehoorde en godvergeten gruwzaamheid niet met stilzwijgen voorbijgaan. Hij was een Arverner van hooge geboorte en ging door voor een man van grooten invloed. "Ik zal, zoo sprak hij, over den voorslag van hen, die de schandelijkste slavernij met den naam van onderwerping bestempelen, geen woord zeggen; die lieden moesten naar