Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/250

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

mijn meening niet als burgers worden beschouwd en van de beraadslaging worden uitgesloten. Ik richt mij tot hen, die zich voor een uitval verklaren; in hun voorslag ― gij zijt het daarover allen eens ― schijnt nog een spoor der oude dapperheid bewaard te zijn. Lafheid, geen dapperheid is het, een korten tijd het gebrek niet te kunnen trotseeren. Men vindt gemakkelijker lieden, die zich vrijwillig aan den dood prijsgeven, dan die geduldig in het lijden volharden. Maar toch zou ik dezen voorslag goedkeuren ter wille van de eer, die mij boven alles gaat, indien er niets anders dan ons leven bij te verliezen was; maar bij het nemen van een besluit moeten wij acht slaan op geheel Gallië, dat wij tot onze redding hebben opgeroepen. Wanneer wij, 80,000 in getal, op één plaats gevallen zijn, waaraan meent gij dan, dat onze stamgenooten en verwanten den moed zouden ontleenen, indien zij, om zoo te zeggen, op onze lijken zelf den beslissenden strijd moesten strijden? Wilt toch niet hen van uwe hulp berooven, die om u te redden onverschillig waren voor het gevaar. Stort niet door uw domheid, onbezonnenheid of zwakheid heel Gallië in het verderf, geeft het niet prijs aan eeuwige slavernij. Of twijfelt gij aan hun trouw en volharding, omdat zij op den bepaalden dag nog niet hier zijn? Hoe dan? Gelooft gij, dat de Romeinen zich dag aan dag uit liefhebberij in die buitenverschansingen afmatten? Kunt gij, nu alle toegangen tot de stad zijn afgesloten, geen zekerheid krijgen door berichten van uwe landgenooten, neemt dan de Romeinen tot bewijs van hun komst, die uit vrees daarvoor dag en nacht aan hun verschansingen arbeiden.

Wat is nu mijn raad? Te doen, wat onze voorouders in een volstrekt niet met dezen krijg te vergelijken oorlog tegen de Kimbren en Teutonen hebben gedaan. In