Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/251

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

hun steden gejaagd, door gelijken nood overweldigd, hebben zij hun leven onderhouden door het vleesch te eten van hen, die wegens hun leeftijd voor den oorlog onbruik, baar waren, en zich niet overgegeven. Hadden wij dit voorbeeld van zulk een handelwijze niet, dan zou ik evenwel van meening zijn, dat het ter wille van de vrijheid moest worden gegeven, om het aan de nakomelingschap als het schoonste na te laten. Want hoeveel verschilt die oorlog van den tegenwoordigen? De Kimbren verwoestten Gallië en brachten groot ongeluk over ons land, maar zij verlieten toch eenmaal ons gebied en togen naar andere landen; zij lieten ons ons recht, onze wetten, onze akkers, onze vrijheid. Maar de Romeinen? waarop anders is hun streven gericht, of wat willen zij, dan uit nijd zich te vestigen in het land en in de staten van hen, wier roem en sterkte in den oorlog zij hebben leeren kennen; wat willen zij anders, dan hun het juk eener eeuwige slavernij opleggen? Immers dat is het eenige doel van al hun oorlogen geweest. Is u wat bij ver afgelegen volken geschiedt onbekend, richt dan uw blikken naar het naburige Gallië, dat, tot een provincie gemaakt, van recht en wetten beroofd, aan de bijlen der Romeinsche ambtenaren onderworpen[1], den druk voelt eener eeuwige slavernij."

78. Na hun stem te hebben uitgebracht, besloten zij, dat allen, die door zwakte of leeftijd voor den oorlog ongeschikt waren, de stad zouden verlaten. Men wilde liever alles beproeven, vóór in te gaan op Critognatus' voorslag; drong echter de nood en bleef de hulp uit, dan

  1. Juist daaruit bleek 't vooral, dat Gallië zijn eigen staatsinstellingen had verloren. De Rom. ambtenaren, die bijlen droegen, waren de lictoren, de openbare dienaren der hoogere overheidspersonen. Zij droegen de bijlbundels voor dezen uit.