zou men toch liever dit middel aangrijpen, dan zich over te geven en vrede te sluiten. De Mandubiërs, die hen in hun stad hadden opgenomen,[1] werden met vrouwen en kinderen er uit gejaagd. Toen zij voor de Romeinsche verschansingen waren gekomen, smeekten zij dringend, onder tranen, dat men hen als slaven zou opnemen en te eten geven. Maar Caesar stelde wachten op den wal op en gaf bevel, hen niet in te laten.
79. Middelerwijl kwamen Commius en de overige aanvoerders, wien het opperbevel was toevertrouwd, met hun gansche macht voor Alesia en legerden zich, na een heuvel vóór onze liniën te hebben bezet, niet verder dan een mijl van onze verschansingen. Den volgenden dag rukten zij met hun ruiterij uit de legerplaats en vulden de gansche vlakte, die, zooals boven vermeld, zich drie mijlen in de lengte uitbreidt. Hun voetvolk stelden zij een weinig daarvan verwijderd op de hoogten op. Van de stad Alesia uit kon men het veld overzien. Bij den aanblik van dit tot ontzet gekomen leger liep alles in de stad te hoop; men wenschte elkander geluk en allen waren vol levendige vreugde. Derhalve rukte de bezetting uit en stelde zich op vóór de stad. De eerste gracht bedekten zij met horden, wierpen haar vol met aarde en maakten zich tot een uitval en tot alle mogelijkheden gereed.
80. Caesar verdeelde zijn geheele leger op de beide liniën, zoodat, indien het noodig werd, ieder zijn post had en zich daarmee had vertrouwd gemaakt; de ruiterij liet bij uitrukken en het gevecht beginnen. Van alle legerplaatsen uit, die rondom de hoogste punten innamen, kon men de vlakte overzien, en alle soldaten wachtten in spanning den uitslag van het gevecht af. De Galliërs hadden
- ↑ Zie hoofdst. 68.