enkele boogschutters en lichte troepen tusschen hun ruiterij geworpen, die, als de ruiters weken, te hulp moesten snellen en den aanval van onze ruiterij afweren. Door hen werden verscheidenen der onzen onverwachts gewond, zoodat zij het gevecht moesten verlaten. In het vertrouwen, dat zij de overhand zouden behouden, en daar zij bovendien zagen, dat de onzen door de overmacht werden in 't nauw gebracht, hieven de Galliërs van alle kanten, zoowel de belegerden als het tot ontzet aangekomen leger, een woest gehuil aan, om de hunnen nog meer aan te moedigen. Het gevecht greep dan plaats voor de oogen van het geheele leger; geen dappere of schandelijke daad kon onbemerkt blijven. Eerzucht en vrees voor schande wekten beide partijen op tot dapperheid. Zoo bleef de kamp van den middag tot bijna zonsondergang onbeslist, totdat eindelijk aan de eene zijde de Germanen in dichte drommen een aanval deden en de vijandelijke ruiterij overhoop wierpen; na de vlucht der ruiters werden de boogschutters ingesloten en nedergehouwen. Ook op de andere punten zetten de onzen den wijkenden vijand na tot aan de legerplaats en gaven hem geen gelegenheid, zich weer te verzamelen. De troepen, die uit Alesia waren opgerukt, trokken, terneergeslagen en haast wanhopende aan de overwinning, in de stad terug.
81. Eén dag lieten de Galliërs voorbijgaan, dien zij gebruikten, om een groot aantal horden, ladders en haken te maken. Dan rukten zij te middernacht in alle stilte uit de legerplaats en naderden onze verschansingen in de vlakte. Hier hieven zij plotseling een geschreeuw aan, een teeken, waardoor de belegerden van hun nadering werden onderricht, begonnen de horden over de gracht te werpen, met slingerkogels, pijlen en steenen de onzen van den wal te verdrijven en maakten alle andere voorbereidingen tot den storm. Terzelfder tijd gaf Vercingetorix, op het hooren