van het geschreeuw, het signaal op de trompet en rukte uit de stad. De onzen gingen naar de verschansingen, bezetten die, zooals ieder hunner al vroeger zijn post was aangewezen, en joegen de Galliërs door het werpen van een pond zware slingersteenen, stormpalen, die zij hier en daar op de werken hadden geplaatst, en looden kogels schrik aan. Daar men in de duisternis niet om zich kon zien, waren aan beide zijden vele gewonden. Vele schoten werden met de schietgevaarten gedaan. De legaten Marcus Antonius en Gajus Trebonius, die deze punten hadden te verdedigen, zonden, waar zij maar de onzen in gedrang zagen, troepen te hulp, die zij uit de meer verwijderde schansen lieten aanrukken.
82. Zoolang als de Galliërs zich nog op eenigen afstand bevonden van de verschansingen, waren zij door de massa, hunner werptuigen in het voordeel; maar, nadat zij naderbij waren gekomen, geraakten zij onverhoeds in de voetangels, of vielen in de kuilen en werden doorstoken, of vonden, door de van den wal en de torens geworpen spiesen getroffen, den dood. Op alle punten hadden zij veel gewonden, en de dag lichtte aan den hemel, zonder dat ergens door de linie was gebroken. Vreezende, door een uitval uit, de hooger gelegen legerkampen op hun ongedekte flank te worden overweldigd, trokken zij naar de hunnen terug. Maar de belegerden waren met de gereedschappen, die Vercingetorix voor den uitval had laten maken, uitgerukt en wierpen de eerste grachten vol; doch daar zij zich te lang met dezen arbeid ophielden, vernamen zij den aftocht van het tot ontzet der stad toegesnelde leger, voor zij de eigenlijke verschansingen bereikt hadden. Zij keerden dus onverrichter zake in de stad terug.
83. Tweemaal met groot verlies teruggeslagen, beraadslaagden de Galliërs, wat te doen. Zij gingen te rade met