de uitgebreidheid der verschansingen zoo verdeeld, dat zij niet zonder groote inspanning op meerdere punten weerstand konden bieden. Veel uitwerking op de onzen ter vermeerdering van den schrik had het krijgsgeschreeuw in den rug der strijdenden, omdat zij zich bewust waren, dat de afwending van het eigen gevaar afhing van de redding van anderen; immers verontrusten alle gevaren, die nog ver af zijn, de menschen meestal heviger.
85. Caesar, die een geschikte plaats had uitgekozen, van waar hij alles kon overzien, zond van hier uit naar de bedreigde punten hulp. Beide partijen beseften volkomen, dat dit het tijdstip was, waarop met inspanning van alle krachten moest worden gestreden: de Galliërs gaven alle hoop op redding op, als zij de verschansingen niet doorbraken; de Romeinen daarentegen zagen het einde van al hun inspanning te gemoet, als zij zich staande hielden. Het hachelijkst stond hun zaak bij de hooger gelegen verschansingen, waarheen, zooals wij hebben verhaald. Vercassivellaunus was gezonden. De glooiing van het terrein gaat hier in steile afhelling over; deze omstandigheid was ongunstig en van groot belang. Deels wierpen de Galliërs met werpspiesen, deels rukten zij naderbij onder een schilddak[1]; versche troepen losten steeds de vermoeiden af. Allen wierpen puin tegen de schansen, waardoor de Galliërs zich den toegang vergemakkelijkten en de hindernissen bedekten, die de Romeinen in den grond hadden verborgen. Reeds waren de wapenen en de krachten der onzen niet meer toereikend.
86. Toen Caesar dit bemerkte, zond hij Labienus met zes cohorten den in nood verkeerenden te hulp, met het bevel, indien hij niet kon stand houden, de cohorten uit de
- ↑ De soldaten hielden dan de schilden in de hoogte en naast elkander, zoodat zij als onder een dak liepen.