Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/257

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

schansen te laten aftrekken en met hen een uitval te doen, maar dit niet, dan in geval van hooge noodzakelijkheid. Hij zelf begaf zich tot de andere troepen, wekte hen op, zich niet door de inspanning te laten overmeesteren, terwijl hij er hen opmerkzaam op maakte, dat het van dezen dag en van dit uur zou afhangen, of zij al of niet de vrucht van alle vroegere gevechten zouden oogsten. De belegerden, die 't wegens de sterkte dezer werken opgegeven hadden de verschansingen in de vlakte te nemen, deden nu een aanval op de steile punten, terwijl zij ze beklommen. Daarheen brachten zij al het materieel, dat zij hadden gereed gemaakt. Door een hagelbui van werpspiesen verjoegen zij de verdedigers van de torens, wierpen de grachten vol met aarde en horden en rukten wal en borstweringen neer met de muurhaken.

87. Caesar zond eerst den jongen Brutus met cohorten, daarna den legaat Gajus Fabius met andere; ten laatste, toen de kamp te hevig werd, rukte hijzelf met versche troepen tot ondersteuning aan. Nadat het gevecht was hersteld en de vijanden teruggeslagen waren, spoedde hij zich naar het punt, waarheen hij Labienus had gezonden, en liet uit de naaste schans vier cohorten oprukken, terwijl hij een deel der ruiterij bevel gaf hem te volgen, een ander deel de buitenste liniën om te rijden en de vijanden, in den rug te vallen. Toen intusschen noch dammen, noch grachten den aandrang der vijanden meer konden tegenhouden, had Labienus negen en dertig cohorten uit de naaste posten, zooals het toeval ze hem bood, bijeengetrokken en liet Caesar door boden melden, wat hij Labienus, meende te moeten doen. Caesar bespoedigde zijn marsch, om bij het gevecht tegenwoordig te zijn. 88. Toen de vijanden aan de kleur van zijn krijgsmantel, dien hij gewoonlijk in den slag als uiterlijk ken-