Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/259

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

lot moest onderwerpen, zoo stelde hij zich te hunner beschikking, hetzij om door zijn dood de Romeinen te bevredigen, hetzij om levend te worden uitgeleverd. Men zond daarover gezanten aan Caesar. Deze beval hun, de wapenen uit te leveren en de vorsten voor hem te brengen. Hij zelf zette zich neer in een schans vóór de legerplaats. Daar werden de vijandelijke aanvoerders voor hem gebracht. Vercingetorix werd hem overgegeven; de wapenen nedergelegd. De Haeduërs en Arverners hield Caesar terug, om door hen misschien weer hun staten te winnen; van de overige gevangenen wees hij iederen soldaat van het gansche leger een man als buit toe.

90. Hierop marcheerde hij naar het land der Haeduërs, dat zich aan hem onderwierp. Daar kwamen ook gezanten der Arverners, die hem gehoorzaamheid beloofden. Hij beval hun, een groot aantal gijzelaars te stellen, en zondvde legioenen naar de winterkwartieren. Ongeveer 20.000 gevangenen gaf hij aan de Haeduërs en Arverners terug. Titus Labienus ontving bevel, met twee legioenen en de ruiterij naar het land der Sequanen op te trekken en Marcus Sempronius Rutilus werd hem toegevoegd. Den legaat Gajus Fabius en Lucius Minucius Basilus liet hij met twee legioenen kwartier nemen bij de Remers, om hen tegen hun naburen, de Bellovaken, te beschermen. Gajus Antistius Reginus zond hij naar de Ambivareten, Titus Sextius naar de Biturigers, Gajus Caninius Rebilus naar de Rutenen, ieder met één legioen. Quintus Tullius Cicero en Publius Sulpicius wees hij Cabillonum (Châlons) en Matisco (Mâcon) aan de Arar in het land der Haeduërs als standplaats aan, om voor den koorntoevoer te zorgen. Caesar zelf besloot den winter te Bibracte door te brengen. Op Caesars bericht over dezen veldtocht, werd te Rome tot een dankfeest van twintig dagen besloten.