afgaande en volgende geschriften niet samenhingen[1], en voorts zijn laatsten onvoltooiden arbeid[2] van den Alexandrijnschen oorlog af vervolgd, weliswaar niet tot het slot van den burgeroorlog, waarvan het einde niet is te zien, maar tot Caesars dood.[3] Mochten toch mijn lezers zich kunnen voorstellen, hoe ongaarne ik dezen arbeid op mij heb genomen! des te gemakkelijker bleef ik dan vrij van de beschuldiging van dwaze aanmatiging, dat ik mijzelf midden in de geschriften van Caesar heb ingedrongen. Immers daarin bestaat algemeene overeenstemming, dat de meest moeitevolle arbeid van anderen, toch nog door den volmaakten vorm dezer memoires wordt overtroffen, die zijn uitgegeven met het doel, dat de geschiedschrijvers niet onkundig zouden blijven van deze zoo belangrijke daden, en die zoo algemeenen bijval vinden, dat den geschiedschrijvers de stof daardoor eer schijnt weggenomen, dan geleverd te zijn. Wij echter bewonderen dit feit meer dan anderen. Want weten anderen, hoe degelijk en in welk een feilloozen schrijftrant hij de memoires heeft geschreven, wij weten daarbij, hoe gemakkelijk en snel hij ze heeft vervaardigd. Caesar bezat echter niet alleen het talent van schrijven en fijnheid van uitdrukking in de hoogste mate, maar ook een treffende geschiktheid, om zijn ondernemingen te verklaren. Mij is het daarentegen zelfs niet te beurt gevallen, den Alexandrijnschen en den Africaanschen krijg bij te wonen, en ofschoon deze oorlogen gedeeltelijk uit Caesars mondelinge mededeelingen bekend zijn, zoo hooren wij toch met andere ooren, wat ons door
Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/261
Uiterlijk