Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/262

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

de nieuwheid of wonderbaarlijkheid aangrijpt, dan wanneer wij als getuigen er rekenschap van moeten geven. Doch zonder twijfel laad ik juist daardoor, dat ik alle gronden tot verontschuldiging bijeenzoek, om een vergelijking met Caesar af te wijzen, juist dit verwijt van aanmatiging op mij, alsof ik meende, dat 't werkelijk iemand in de gedachte zou kunnen komen mij met Caesar te vergelijken. Vaarwel!

1. Toen Caesar, die sedert den zomer van het vorige jaar[1] onophoudelijk oorlog had gevoerd[2], nu geheel Gallië was onderworpen, zijn troepen in de winterkwartieren van hun zoo groote inspanningen wilde laten uitrusten, ontving hij het bericht, dat verscheidene staten terzelfder tijd met het plan omgingen, den oorlog te vernieuwen, en in 't geheim met elkander daarover onderhandelden. Als waarschijnlijke oorzaak daarvan werd aangevoerd, dat alle Galliërs wel wisten, dat men weliswaar zelfs met de sterkste overmacht op één punt den Romeinen niet de spits kon bieden, maar ook, dat, als verscheidene staten terzelfder tijd op verschil, lende punten den oorlog aanvingen, het Romeinsche leger noch hulpmiddelen, tijd of troepen genoeg had, om overal oorlog te voeren. Geen enkele staat moest zijn deel in dezen last weigeren, indien de overige staten door zooda nig oponthoud zich intusschen konden vrijmaken.

2. Om dezen waan bij de Galliërs niet te laten wortelen, gaf Caesar aan den quaestor Marcus Antonius het bevel over zijn winterkwartier; hijzelf vertrok den laatsten December met een bedekking van ruiters van de stad Bibracte naar het dertiende legioen, dat hij niet ver van de grenzen der Haeduërs in het land der Biturigers had gelegerd, en vereenigde met deze troepen het elfde legioen, dat in de

  1. 53 v. Chr.
  2. Onmiddellijk na den zomer van 53 was de opstand uitgebroken.