Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/264

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

stellen van gijzelaars weer in zijn bescherming waren opgenomen, volgden zij dit voorbeeld.

4. Caesars troepen hadden in de winterdagen op de bezwaarlijkste marschen bij niet te verduren koude met de grootste toewijding bij hun inspanning volhard. Voor deze zoo groote inspanning en volharding beloofde Caesar hun als buit aan ieder gemeen soldaat 200 sestertiën[1] en den centurionen 2000 sestertiën. Hij zond daarna de legioenen in hun winterkwartieren terug en keerde zelf op den veertigsten dag van zijn vertrek naar Bibracte terug. Terwijl hij daar rechtszitting hield, kwamen gezanten der Biturigers hem om hulp vragen tegen de Carnuten, die, zooals zij klaagden, in hun land gevallen waren. Op dit bericht liet Caesar, die niet langer dan achttien dagen weer in zijn winterkwartier was, het veertiende en het zesde legioen uit hun winterkwartieren aan de Arar opbreken, waar hij ze, zooals in het vorige boek is verhaald, had gelegerd, om den geregelden aanvoer van koorn te verzekeren, en zoo rukte hij met twee legioenen op, om de Carnuten te bestraffen.

5. Toen het bericht van de nadering van dit leger den vijand was overgebracht, verlieten de Carnuten, wijs geworden door het ongeluk van anderen, hun dorpen en steden, die zij, na in allerij armzalige woningen te hebben gebouwd, tot bescherming tegen den winter bewoonden, (want na hun laatste nederlaag hadden zij verscheidene steden prijsgegeven) en verspreidden zich op de vlucht naar alle richtingen. Daar Caesar zijn troepen niet wilde blootstellen aan het juist in dezen tijd invallende bijzonder slechte weer, sloeg hij in Cenabum, een stad der Carnuten,

  1. Een kleine 20 gulden.