Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/265

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zijn kwartier op en legde de soldaten deels in de hutten der Galliërs, deels in barakken, die snel uit stroo, verzameld ter bedekking der tenten, waren opgebouwd. De ruiters echter en de hulptroepen te voet zond hij overal heen, werwaarts de vijanden zich volgens ingekomen berichten, hadden gewend; en niet tevergeefs, want meestal kwamen de onzen met rijken buit terug. Nedergedrukt door het ongemak van den winter, door de vrees voor het gevaar, verdreven uit hun woningen, terwijl zij zich nergens langer durfden op te houden en in de bosschen geen bescherming vonden tegen het buitengewoon strenge weder, verstrooiden de Carnuten zich en gingen na groote verliezen uiteen naar de naburige staten.

6. Caesar vergenoegde er zich in het ruwste jaargetijde mee, de zich met elkaar vereenigende vijandelijke benden te verstrooien, om elke kiem van oorlog te verstikken, en hield het voor zeker, voor zoover zich dat liet berekenen, dat tegen den zomer geen oorlog van beteekenis kon uitbreken. Hij legerde daarom zijn twee legioenen onder bevel van Gajus Trebonius in de winterkwartieren te Cenabum. Door herhaalde gezantschappen der Remers onderricht, dat de Bellovaken, die in oorlogsroem boven alle Galliërs en Belgen uitmuntten, en de aan hun gebied grenzende staten onder aanvoering van den Bellovaker Correus en den Atrebaat Commius legers toerustten, die op één punt werden samengetrokken, ten einde met de geheele macht een inval te doen in het land der Suessionen, die onder de Remers stonden, liet Caesar wederom het elfde legioen uit zijn winterkwartier opbreken. Want hij was van oordeel, dat niet alleen zijn eer, maar ook zijn veiligheid eischte, bondgenooten, die zich zoo verdienstelijk hadden gemaakt jegens Rome, te beveiligen tegen elk onheil. Te gelijk zond hij Gajus Fabius schriftelijk