Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/266

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

bevel, met zijn twee legioenen het land der Suessionen binnen te rukken, en ontbood bovendien nog een der twee legioenen van Labienus. Zoo legde hij, zelf onophoudelijk werkzaam, den last der veldtochten aan de legioenen om de beurt op, zooveel het de ligging van hun winterkwartieren en een verstandige krijgvoering eischte.

7. Na deze troepen te hebben vereenigd, rukte hij op tegen de Bellovakers, sloeg in hun gebied een legerplaats op en zond daaruit naar alle richtingen escadrons ruiterij, om eenige gevangenen te maken, van wie hij de plannen, der vijanden kon vernemen. De ruiters kweten zich van hun taak en berichtten, dat zij slechts weinigen in de huizen hadden aangetroffen, en dezen waren niet achtergebleven om hun akkers te bebouwen, (want overal had de vijand het land geheel verlaten), maar zij waren teruggezonden, om te bespieden. Toen Caesar bij deze gevangenen onderzoek deed, waar de massa Bellovaken stond en wat hun krijgsplan was, bevond hij, dat de geheele weerbare manschap der Bellovaken op één punt was vereenigd, evenzoo de Ambianers, Aulerkers, Caleten, Velliokassers, Atrebaten; dat zij een hoogte in een boschrijke streek en door een moeras omringd tot hun legerplaats hadden uitgekozen en al hun have in verder af gelegen wouden hadden gebracht. Verscheidene vorsten waren de leiders van den oorlog, maar de groote menigte hoorde het meest naar Correus, omdat hij zich als den bittersten vijand der Romeinen had doen kennen. Weinige dagen geleden had Commius de Atrebaat de legerplaats verlaten, om hulptroepen der Germanen, die dicht in de nabijheid woonden en ongemeen talrijk waren, te halen. De Bellovaken hadden nu met algemeene toestemming der vorsten en onder de hoogste geestdrift des volks besloten, om Caesar, wanneer hij slechts,