Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/267

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zooals het gerucht ging, met drie legioenen kwam, een slag aan te bieden, ten einde niet later onder ongelukkiger en moeielijker omstandigheden gedwongen te worden met het gansche Romeinsche leger te strijden. Bracht Caesar echter meer troepen mee, dan zouden zij blijven in de stelling, die zij hadden uitgekozen, en den Romeinen het halen van voeder, dat wegens het tegenwoordig jaargetijde spaarzaam en nergens in massa te vinden was, zoowel als van graan en andere behoeften, door hinderlagen te leggen, onmogelijk te maken.

8. Daar Caesar dit onder overeenstemming der bekentenissen van meerderen had ervaren, en hij van meening was, dat het hem meegedeelde krijgsplan weloverdacht was en volstrekt niets had van de gewone onbezonnenheid der barbaren, zoo geloofde hij alles te moeten doen, om den vijand, in diens geringschatting van het schijnbaar kleine aantal der Romeinsche troepen, des te spoediger tot den veldslag uit te lokken. Want hij had bij zich het zevende, achtste en negende legioen, oude soldaten van uitstekende dapperheid, en voorts het elfde, dat uit veelbelovende en uitgelezen manschappen bestond, maar, ofschoon het reeds ook acht dienstjaren telde, in vergelijking met de overige legioenen toch niet denzelfden roep van lang beproefde dapperheid bezat. Hij riep derhalve een krijgsraad bijeen, deelde al de berichten, die tot hem waren gekomen, mede en bemoedigde de troepen. Om de vijanden misschien door het geringe aantal van drie legioenen tot den slag te verlokken, regelde hij de marschorde zóó, dat het zevende, achtste en negende legioen den geheelen trein vooruitgingen; vervolgens kwam de gansche tros, die echter, als gewoonlijk bij een dergelijken tocht, niet groot was, terwijl het elfde legioen de achterhoede vormde, opdat de vijanden niet meer troepen konden zien,