Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/271

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dood van den vorst en ruiteroverste der Remers; den onzen was het ongeval tot waarschuwing, om eerst na nauwkeurige verkenning hun ruiterposten uit te zetten en den wijkenden vijand minder hartstochtelijk te vervolgen.

13. Ondertusschen duurden de dagelijksche schermutselingen in het gezicht der beide legerplaatsen bij de ondiepten en overgangen van het moeras voort. Bij zulk een gevecht gingen de Germanen, die Caesar over den Rijn had laten komen, om te voet, onder de ruiterij gemengd, te vechten, in massa en vastberaden over het moeras, hieuwen eenigen, die weerstand boden, neder en vervolgden hardnekkig de overige menigte. Vol schrik namen niet alleen de troepen, die rechtstreeks op het lijf werden gevallen, of die uit de verte gewond werden, maar ook zij, die gewoonlijk als reserven op grooteren afstand waren opgesteld, schandelijk de vlucht. Vaak gaven zij de hooger gelegen stellingen op en kwamen niet tot staan, voor zij de legerplaats bereikten. Eenigen vluchtten uit schaamte nog verder. Deze nederlaag veroorzaakte in het gansche leger een zoo groote verslagenheid, dat het nauwelijks viel te beslissen, wat grooter was: hun overmoed bij het geringste voordeel, of hun versaagdheid bij een weinig beteekenend ongeluk. 14. Nadat de vijanden verscheidene dagen in hun legerplaats hadden doorgebracht, vernamen zij, dat de legaat Gajus Trebonius met zijn legioenen naderde. Vreezende op dezelfde wijze als de Galliërs in Alesia te worden ingesloten, lieten de aanvoerders der Bellovaken in den nacht de lieden, die óf te oud óf te zwak waren, of geen wapens hadden, aftrekken, en te gelijk met hen den geheelen overigen legertrein. En terwijl zij deze ongeordende en verwarde schare nog bezig waren te regelen want de Galliërs plegen, ook wanneer zij slagvaardig marcheeren, een groote menigte karren mede te voeren over-