Naar inhoud springen

Pagina:Caesar, Gallische oorlog (vert. Doesburg, 1894).pdf/273

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

liet hij de legioenen in slagorde voor den wal blijven; de ruiters verdeelde hij op de wachtposten, zonder dat ze hun paarden mochten aftoomen. Toen de Bellovakers de Romeinen tot vervolgen gereed zagen, en zij onmogelijk in hun stelling zonder gevaar overnachten, of zelfs langer verwijlen konden, maakten zij het volgende plan van terugtocht. Zooals zij waren neergezeten (want gelijk boven in de "Gedenkboeken van Caesar" is gezegd[1], plachten de Galliërs in slagorde voor den aanval te zitten), reikten zij elkaar van hand tot hand bundels stroo en rijs, waarvan in hun legerplaats een overvloed voorhanden was, hoopten die naast elkaar voor het front op en staken ze bij het aanbreken van den nacht op een gegeven teeken gelijktijdig aan. Zoo verborg een onafgebroken vuurdam hun geheele leger plotseling voor de blikken der Romeinen, en nu gingen zij op de vlucht, zoo snel zij maar loopen konden.

16. Ofschoon Caesar den aftocht der vijanden door die vuurzee niet kon bemerken, vermoedde hij toch, dat zij daardoor hun vlucht trachtten te verbergen. Hij liet daarom de legioenen voorwaarts rukken en zond escadrons ruiters uit, om hen te vervolgen. Hijzelf echter macheerde wat langzamer voorwaarts, omdat hij een krijgslist vreesde: dat namelijk de vijand soms in zijn oude stelling zou trachten stand te houden en de onzen op dit ongunstig terrein lokken. De ruiters waagden zich niet in den rook en de dichte vlammen, en zoo er al eenigen in hun vurigen ijver het deden, dan konden zij nauwelijks nog de koppen van hun paarden zien. Zij lieten dus uit vrees voor een krijgslist den Bellovakers de vrijheid, zich ongestoord terug te trekken. Zoo zetten de vijanden op hun vlucht, die zoowel van hun

  1. Dit staat echter nergens bij Caesar.